beitelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beitelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beitelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beitelend
Past participle - Verleden deelwoord: gebeiteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeitel
jijbeitelt
hijbeitelt
wijbeitelen
julliebeitelen
zijbeitelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebeiteld
jijhebt gebeiteld
hijheeft gebeiteld
wijhebben gebeiteld
julliehebben gebeiteld
zijhebben gebeiteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeitelde
jijbeitelde
hijbeitelde
wijbeitelden
julliebeitelden
zijbeitelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebeiteld
jijhad gebeiteld
hijhad gebeiteld
wijhadden gebeiteld
julliehadden gebeiteld
zijhadden gebeiteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beitelen
jijzult beitelen
hijzal beitelen
wijzullen beitelen
julliezullen beitelen
zijzullen beitelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebeiteld hebben
jijzult gebeiteld hebben
hijzal gebeiteld hebben
wijzullen gebeiteld hebben
julliezullen gebeiteld hebben
zijzullen gebeiteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beitelen
jijzou beitelen
hijzou beitelen
wijzouden beitelen
julliezouden beitelen
zijzouden beitelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebeiteld hebben
jijzou gebeiteld hebben
hijzou gebeiteld hebben
wijzouden gebeiteld hebben
julliezouden gebeiteld hebben
zijzouden gebeiteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeitel

Translations

  • chisel, to use a chisel
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Onder welken de naarstige en kundige Beeldhouwer ZIESENIS, door het konstig beitelen van twee deftige Standbeelden, op de Hofstede van den Heer Raadpensionaris STEIN, zig reeds een regtmaatigen lof verworven heft. [1769, Johannes le Francq van Berkhey, Natuurlyke historie van Holland, volume 2, Yntema & Tieboel, page 282:]

    Etymology

    18th century. From beitel + -en.

    Additional Information