betitelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of betitelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: betitelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: betitelend
Past participle - Verleden deelwoord: betiteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbetitel
jijbetitelt
hijbetitelt
wijbetitelen
julliebetitelen
zijbetitelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb betiteld
jijhebt betiteld
hijheeft betiteld
wijhebben betiteld
julliehebben betiteld
zijhebben betiteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbetitelde
jijbetitelde
hijbetitelde
wijbetitelden
julliebetitelden
zijbetitelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad betiteld
jijhad betiteld
hijhad betiteld
wijhadden betiteld
julliehadden betiteld
zijhadden betiteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal betitelen
jijzult betitelen
hijzal betitelen
wijzullen betitelen
julliezullen betitelen
zijzullen betitelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal betiteld hebben
jijzult betiteld hebben
hijzal betiteld hebben
wijzullen betiteld hebben
julliezullen betiteld hebben
zijzullen betiteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou betitelen
jijzou betitelen
hijzou betitelen
wijzouden betitelen
julliezouden betitelen
zijzouden betitelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou betiteld hebben
jijzou betiteld hebben
hijzou betiteld hebben
wijzouden betiteld hebben
julliezouden betiteld hebben
zijzouden betiteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbetitel

Translations

  • caption, to add captions to a text or illustration
  • entitle, to give a title to a book etc.
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From be- + titelen.

    Additional Information