etteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of etteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: etteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: etterend
Past participle - Verleden deelwoord: geëtterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iketter
jijettert
hijettert
wijetteren
jullieetteren
zijetteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëtterd
jijhebt geëtterd
hijheeft geëtterd
wijhebben geëtterd
julliehebben geëtterd
zijhebben geëtterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iketterde
jijetterde
hijetterde
wijetterden
jullieetterden
zijetterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëtterd
jijhad geëtterd
hijhad geëtterd
wijhadden geëtterd
julliehadden geëtterd
zijhadden geëtterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal etteren
jijzult etteren
hijzal etteren
wijzullen etteren
julliezullen etteren
zijzullen etteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëtterd hebben
jijzult geëtterd hebben
hijzal geëtterd hebben
wijzullen geëtterd hebben
julliezullen geëtterd hebben
zijzullen geëtterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou etteren
jijzou etteren
hijzou etteren
wijzouden etteren
julliezouden etteren
zijzouden etteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëtterd hebben
jijzou geëtterd hebben
hijzou geëtterd hebben
wijzouden geëtterd hebben
julliezouden geëtterd hebben
zijzouden geëtterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijetter

Translations

  • fester, become septic or rotten
  • rankle, to fester
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch etteren, from Old Dutch *eittaron, *eitaron, from Proto-West Germanic *aittrōn. Equivalent to etter + -en. See: Old Dutch '*eittaron'.

    Additional Information