kittelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kittelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kittelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kittelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekitteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkittel
jijkittelt
hijkittelt
wijkittelen
julliekittelen
zijkittelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekitteld
jijhebt gekitteld
hijheeft gekitteld
wijhebben gekitteld
julliehebben gekitteld
zijhebben gekitteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkittelde
jijkittelde
hijkittelde
wijkittelden
julliekittelden
zijkittelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekitteld
jijhad gekitteld
hijhad gekitteld
wijhadden gekitteld
julliehadden gekitteld
zijhadden gekitteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kittelen
jijzult kittelen
hijzal kittelen
wijzullen kittelen
julliezullen kittelen
zijzullen kittelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekitteld hebben
jijzult gekitteld hebben
hijzal gekitteld hebben
wijzullen gekitteld hebben
julliezullen gekitteld hebben
zijzullen gekitteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kittelen
jijzou kittelen
hijzou kittelen
wijzouden kittelen
julliezouden kittelen
zijzouden kittelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekitteld hebben
jijzou gekitteld hebben
hijzou gekitteld hebben
wijzouden gekitteld hebben
julliezouden gekitteld hebben
zijzouden gekitteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkittel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "kittelen"

French chatouiller, English kittle.

Additional Information