bottelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bottelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bottelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bottelend
Past participle - Verleden deelwoord: gebotteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbottel
jijbottelt
hijbottelt
wijbottelen
julliebottelen
zijbottelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebotteld
jijhebt gebotteld
hijheeft gebotteld
wijhebben gebotteld
julliehebben gebotteld
zijhebben gebotteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbottelde
jijbottelde
hijbottelde
wijbottelden
julliebottelden
zijbottelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebotteld
jijhad gebotteld
hijhad gebotteld
wijhadden gebotteld
julliehadden gebotteld
zijhadden gebotteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bottelen
jijzult bottelen
hijzal bottelen
wijzullen bottelen
julliezullen bottelen
zijzullen bottelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebotteld hebben
jijzult gebotteld hebben
hijzal gebotteld hebben
wijzullen gebotteld hebben
julliezullen gebotteld hebben
zijzullen gebotteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bottelen
jijzou bottelen
hijzou bottelen
wijzouden bottelen
julliezouden bottelen
zijzouden bottelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebotteld hebben
jijzou gebotteld hebben
hijzou gebotteld hebben
wijzouden gebotteld hebben
julliezouden gebotteld hebben
zijzouden gebotteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbottel

Translations

  • bottle, seal (a liquid) into a bottle for later consumption
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From bottel.

    Additional Information