paraferen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of paraferen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: paraferen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: paraferend
Past participle - Verleden deelwoord: geparafeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikparafeer
jijparafeert
hijparafeert
wijparaferen
jullieparaferen
zijparaferen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geparafeerd
jijhebt geparafeerd
hijheeft geparafeerd
wijhebben geparafeerd
julliehebben geparafeerd
zijhebben geparafeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikparafeerde
jijparafeerde
hijparafeerde
wijparafeerden
jullieparafeerden
zijparafeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geparafeerd
jijhad geparafeerd
hijhad geparafeerd
wijhadden geparafeerd
julliehadden geparafeerd
zijhadden geparafeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal paraferen
jijzult paraferen
hijzal paraferen
wijzullen paraferen
julliezullen paraferen
zijzullen paraferen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geparafeerd hebben
jijzult geparafeerd hebben
hijzal geparafeerd hebben
wijzullen geparafeerd hebben
julliezullen geparafeerd hebben
zijzullen geparafeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou paraferen
jijzou paraferen
hijzou paraferen
wijzouden paraferen
julliezouden paraferen
zijzouden paraferen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geparafeerd hebben
jijzou geparafeerd hebben
hijzou geparafeerd hebben
wijzouden geparafeerd hebben
julliezouden geparafeerd hebben
zijzouden geparafeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijparafeer

Translations

  • initial, sign one's initial(s)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information