paraderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of paraderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: paraderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: paraderend
Past participle - Verleden deelwoord: geparadeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikparadeer
jijparadeert
hijparadeert
wijparaderen
jullieparaderen
zijparaderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geparadeerd
jijhebt geparadeerd
hijheeft geparadeerd
wijhebben geparadeerd
julliehebben geparadeerd
zijhebben geparadeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikparadeerde
jijparadeerde
hijparadeerde
wijparadeerden
jullieparadeerden
zijparadeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geparadeerd
jijhad geparadeerd
hijhad geparadeerd
wijhadden geparadeerd
julliehadden geparadeerd
zijhadden geparadeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal paraderen
jijzult paraderen
hijzal paraderen
wijzullen paraderen
julliezullen paraderen
zijzullen paraderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geparadeerd hebben
jijzult geparadeerd hebben
hijzal geparadeerd hebben
wijzullen geparadeerd hebben
julliezullen geparadeerd hebben
zijzullen geparadeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou paraderen
jijzou paraderen
hijzou paraderen
wijzouden paraderen
julliezouden paraderen
zijzouden paraderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geparadeerd hebben
jijzou geparadeerd hebben
hijzou geparadeerd hebben
wijzouden geparadeerd hebben
julliezouden geparadeerd hebben
zijzouden geparadeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijparadeer

Translations

  • prance, to strut
  • strut, to walk haughtily or proudly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information