parkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of parkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: parkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: parkerend
Past participle - Verleden deelwoord: geparkeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikparkeer
jijparkeert
hijparkeert
wijparkeren
jullieparkeren
zijparkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geparkeerd
jijhebt geparkeerd
hijheeft geparkeerd
wijhebben geparkeerd
julliehebben geparkeerd
zijhebben geparkeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikparkeerde
jijparkeerde
hijparkeerde
wijparkeerden
jullieparkeerden
zijparkeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geparkeerd
jijhad geparkeerd
hijhad geparkeerd
wijhadden geparkeerd
julliehadden geparkeerd
zijhadden geparkeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal parkeren
jijzult parkeren
hijzal parkeren
wijzullen parkeren
julliezullen parkeren
zijzullen parkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geparkeerd hebben
jijzult geparkeerd hebben
hijzal geparkeerd hebben
wijzullen geparkeerd hebben
julliezullen geparkeerd hebben
zijzullen geparkeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou parkeren
jijzou parkeren
hijzou parkeren
wijzouden parkeren
julliezouden parkeren
zijzouden parkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geparkeerd hebben
jijzou geparkeerd hebben
hijzou geparkeerd hebben
wijzouden geparkeerd hebben
julliezouden geparkeerd hebben
zijzouden geparkeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijparkeer

Translations

  • park, bring to a halt
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French parquer. See: French 'parquer'.

    Additional Information