kneden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kneden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kneden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: knedend
Past participle - Verleden deelwoord: gekneed

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkneed
jijkneedt
hijkneedt
wijkneden
julliekneden
zijkneden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekneed
jijhebt gekneed
hijheeft gekneed
wijhebben gekneed
julliehebben gekneed
zijhebben gekneed

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkneedde
jijkneedde
hijkneedde
wijkneedden
julliekneedden
zijkneedden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekneed
jijhad gekneed
hijhad gekneed
wijhadden gekneed
julliehadden gekneed
zijhadden gekneed

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kneden
jijzult kneden
hijzal kneden
wijzullen kneden
julliezullen kneden
zijzullen kneden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekneed hebben
jijzult gekneed hebben
hijzal gekneed hebben
wijzullen gekneed hebben
julliezullen gekneed hebben
zijzullen gekneed hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kneden
jijzou kneden
hijzou kneden
wijzouden kneden
julliezouden kneden
zijzouden kneden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekneed hebben
jijzou gekneed hebben
hijzou gekneed hebben
wijzouden gekneed hebben
julliezouden gekneed hebben
zijzouden gekneed hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkneed

Translations

  • knead, to work and press into a mass
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch cnēden, from Old Dutch *knedan, from Proto-West Germanic *knedan, from Proto-Germanic *knudaną. See: Proto-Germanic '*knudaną'.

    Verbs referencing "kneden"

    Icelandic hnoða.

    Additional Information