inhaleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of inhaleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: inhaleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inhalerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïnhaleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikinhaleer
jijinhaleert
hijinhaleert
wijinhaleren
jullieinhaleren
zijinhaleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïnhaleerd
jijhebt geïnhaleerd
hijheeft geïnhaleerd
wijhebben geïnhaleerd
julliehebben geïnhaleerd
zijhebben geïnhaleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikinhaleerde
jijinhaleerde
hijinhaleerde
wijinhaleerden
jullieinhaleerden
zijinhaleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïnhaleerd
jijhad geïnhaleerd
hijhad geïnhaleerd
wijhadden geïnhaleerd
julliehadden geïnhaleerd
zijhadden geïnhaleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal inhaleren
jijzult inhaleren
hijzal inhaleren
wijzullen inhaleren
julliezullen inhaleren
zijzullen inhaleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïnhaleerd hebben
jijzult geïnhaleerd hebben
hijzal geïnhaleerd hebben
wijzullen geïnhaleerd hebben
julliezullen geïnhaleerd hebben
zijzullen geïnhaleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou inhaleren
jijzou inhaleren
hijzou inhaleren
wijzouden inhaleren
julliezouden inhaleren
zijzouden inhaleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïnhaleerd hebben
jijzou geïnhaleerd hebben
hijzou geïnhaleerd hebben
wijzouden geïnhaleerd hebben
julliezouden geïnhaleerd hebben
zijzouden geïnhaleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijinhaleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle French inhaler or French inhaler, from Latin inhālō. See: French 'inhaler', Latin 'inhālō'.

Additional Information