divergeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of divergeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: divergeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: divergerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedivergeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdivergeer
jijdivergeert
hijdivergeert
wijdivergeren
julliedivergeren
zijdivergeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedivergeerd
jijhebt gedivergeerd
hijheeft gedivergeerd
wijhebben gedivergeerd
julliehebben gedivergeerd
zijhebben gedivergeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdivergeerde
jijdivergeerde
hijdivergeerde
wijdivergeerden
julliedivergeerden
zijdivergeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedivergeerd
jijhad gedivergeerd
hijhad gedivergeerd
wijhadden gedivergeerd
julliehadden gedivergeerd
zijhadden gedivergeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal divergeren
jijzult divergeren
hijzal divergeren
wijzullen divergeren
julliezullen divergeren
zijzullen divergeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedivergeerd hebben
jijzult gedivergeerd hebben
hijzal gedivergeerd hebben
wijzullen gedivergeerd hebben
julliezullen gedivergeerd hebben
zijzullen gedivergeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou divergeren
jijzou divergeren
hijzou divergeren
wijzouden divergeren
julliezouden divergeren
zijzouden divergeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedivergeerd hebben
jijzou gedivergeerd hebben
hijzou gedivergeerd hebben
wijzouden gedivergeerd hebben
julliezouden gedivergeerd hebben
zijzouden gedivergeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdivergeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French diverger, from New Latin dīvergō See: French 'diverger'.

Additional Information