digereren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of digereren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: digereren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: digererend
Past participle - Verleden deelwoord: gedigereerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdigereer
jijdigereert
hijdigereert
wijdigereren
julliedigereren
zijdigereren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedigereerd
jijhebt gedigereerd
hijheeft gedigereerd
wijhebben gedigereerd
julliehebben gedigereerd
zijhebben gedigereerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdigereerde
jijdigereerde
hijdigereerde
wijdigereerden
julliedigereerden
zijdigereerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedigereerd
jijhad gedigereerd
hijhad gedigereerd
wijhadden gedigereerd
julliehadden gedigereerd
zijhadden gedigereerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal digereren
jijzult digereren
hijzal digereren
wijzullen digereren
julliezullen digereren
zijzullen digereren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedigereerd hebben
jijzult gedigereerd hebben
hijzal gedigereerd hebben
wijzullen gedigereerd hebben
julliezullen gedigereerd hebben
zijzullen gedigereerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou digereren
jijzou digereren
hijzou digereren
wijzouden digereren
julliezouden digereren
zijzouden digereren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedigereerd hebben
jijzou gedigereerd hebben
hijzou gedigereerd hebben
wijzouden gedigereerd hebben
julliezouden gedigereerd hebben
zijzouden gedigereerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdigereer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch digereren, from Old French digerer, from Latin digerō. See: Latin 'digerō'.

Additional Information