devesteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of devesteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: devesteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: devesterend
Past participle - Verleden deelwoord: gedevesteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdevesteer
jijdevesteert
hijdevesteert
wijdevesteren
julliedevesteren
zijdevesteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedevesteerd
jijhebt gedevesteerd
hijheeft gedevesteerd
wijhebben gedevesteerd
julliehebben gedevesteerd
zijhebben gedevesteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdevesteerde
jijdevesteerde
hijdevesteerde
wijdevesteerden
julliedevesteerden
zijdevesteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedevesteerd
jijhad gedevesteerd
hijhad gedevesteerd
wijhadden gedevesteerd
julliehadden gedevesteerd
zijhadden gedevesteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal devesteren
jijzult devesteren
hijzal devesteren
wijzullen devesteren
julliezullen devesteren
zijzullen devesteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedevesteerd hebben
jijzult gedevesteerd hebben
hijzal gedevesteerd hebben
wijzullen gedevesteerd hebben
julliezullen gedevesteerd hebben
zijzullen gedevesteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou devesteren
jijzou devesteren
hijzou devesteren
wijzouden devesteren
julliezouden devesteren
zijzouden devesteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedevesteerd hebben
jijzou gedevesteerd hebben
hijzou gedevesteerd hebben
wijzouden gedevesteerd hebben
julliezouden gedevesteerd hebben
zijzouden gedevesteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdevesteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information