boetseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of boetseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: boetseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: boetserend
Past participle - Verleden deelwoord: geboetseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikboetseer
jijboetseert
hijboetseert
wijboetseren
jullieboetseren
zijboetseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geboetseerd
jijhebt geboetseerd
hijheeft geboetseerd
wijhebben geboetseerd
julliehebben geboetseerd
zijhebben geboetseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikboetseerde
jijboetseerde
hijboetseerde
wijboetseerden
jullieboetseerden
zijboetseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geboetseerd
jijhad geboetseerd
hijhad geboetseerd
wijhadden geboetseerd
julliehadden geboetseerd
zijhadden geboetseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal boetseren
jijzult boetseren
hijzal boetseren
wijzullen boetseren
julliezullen boetseren
zijzullen boetseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geboetseerd hebben
jijzult geboetseerd hebben
hijzal geboetseerd hebben
wijzullen geboetseerd hebben
julliezullen geboetseerd hebben
zijzullen geboetseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou boetseren
jijzou boetseren
hijzou boetseren
wijzouden boetseren
julliezouden boetseren
zijzouden boetseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geboetseerd hebben
jijzou geboetseerd hebben
hijzou geboetseerd hebben
wijzouden geboetseerd hebben
julliezouden geboetseerd hebben
zijzouden geboetseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijboetseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From earlier bootsen, from Middle French bocer, bosser, from Picard Old French bocer (“to form, make a work of art in relief”), from boce (“protrusion, outgrowth, lump”), from Latin *bottia, from Frankish *bottja, from Proto-Germanic *bautaną (“to thrust, knock, bump”). Compare Middle Dutch bootse (“bump, swelling”), Italian bozza (“a draft or proof (of a document)”), Italian sbozzo (“a sketch)”), and Portuguese esboço (“a sketch”). Related to Dutch boots (“image, figure, sculpture, model, sketch”). See: Middle French 'bocer', Proto-Germanic '*bautaną'.

Additional Information