boteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of boteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: boteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: boterend
Past participle - Verleden deelwoord: geboterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikboter
jijbotert
hijbotert
wijboteren
jullieboteren
zijboteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geboterd
jijhebt geboterd
hijheeft geboterd
wijhebben geboterd
julliehebben geboterd
zijhebben geboterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikboterde
jijboterde
hijboterde
wijboterden
jullieboterden
zijboterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geboterd
jijhad geboterd
hijhad geboterd
wijhadden geboterd
julliehadden geboterd
zijhadden geboterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal boteren
jijzult boteren
hijzal boteren
wijzullen boteren
julliezullen boteren
zijzullen boteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geboterd hebben
jijzult geboterd hebben
hijzal geboterd hebben
wijzullen geboterd hebben
julliezullen geboterd hebben
zijzullen geboterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou boteren
jijzou boteren
hijzou boteren
wijzouden boteren
julliezouden boteren
zijzouden boteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geboterd hebben
jijzou geboterd hebben
hijzou geboterd hebben
wijzouden geboterd hebben
julliezouden geboterd hebben
zijzouden geboterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijboter

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information