beboeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beboeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beboeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beboerend
Past participle - Verleden deelwoord: beboerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeboer
jijbeboert
hijbeboert
wijbeboeren
julliebeboeren
zijbeboeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beboerd
jijhebt beboerd
hijheeft beboerd
wijhebben beboerd
julliehebben beboerd
zijhebben beboerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeboerde
jijbeboerde
hijbeboerde
wijbeboerden
julliebeboerden
zijbeboerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beboerd
jijhad beboerd
hijhad beboerd
wijhadden beboerd
julliehadden beboerd
zijhadden beboerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beboeren
jijzult beboeren
hijzal beboeren
wijzullen beboeren
julliezullen beboeren
zijzullen beboeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beboerd hebben
jijzult beboerd hebben
hijzal beboerd hebben
wijzullen beboerd hebben
julliezullen beboerd hebben
zijzullen beboerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beboeren
jijzou beboeren
hijzou beboeren
wijzouden beboeren
julliezouden beboeren
zijzouden beboeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beboerd hebben
jijzou beboerd hebben
hijzou beboerd hebben
wijzouden beboerd hebben
julliezouden beboerd hebben
zijzouden beboerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeboer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information