aborteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aborteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aborteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aborterend
Past participle - Verleden deelwoord: geaborteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaborteer
jijaborteert
hijaborteert
wijaborteren
jullieaborteren
zijaborteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaborteerd
jijhebt geaborteerd
hijheeft geaborteerd
wijhebben geaborteerd
julliehebben geaborteerd
zijhebben geaborteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaborteerde
jijaborteerde
hijaborteerde
wijaborteerden
jullieaborteerden
zijaborteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaborteerd
jijhad geaborteerd
hijhad geaborteerd
wijhadden geaborteerd
julliehadden geaborteerd
zijhadden geaborteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aborteren
jijzult aborteren
hijzal aborteren
wijzullen aborteren
julliezullen aborteren
zijzullen aborteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaborteerd hebben
jijzult geaborteerd hebben
hijzal geaborteerd hebben
wijzullen geaborteerd hebben
julliezullen geaborteerd hebben
zijzullen geaborteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aborteren
jijzou aborteren
hijzou aborteren
wijzouden aborteren
julliezouden aborteren
zijzouden aborteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaborteerd hebben
jijzou geaborteerd hebben
hijzou geaborteerd hebben
wijzouden geaborteerd hebben
julliezouden geaborteerd hebben
zijzouden geaborteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaborteer

Translations

  • abort, computing: to terminate a process prior to completion
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Latin abortō. See: Latin 'abortō'.

    Additional Information