Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: afperken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afperkend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeperkt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | perk af |
| jij | perkt af |
| hij | perkt af |
| wij | perken af |
| jullie | perken af |
| zij | perken af |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgeperkt |
| jij | hebt afgeperkt |
| hij | heeft afgeperkt |
| wij | hebben afgeperkt |
| jullie | hebben afgeperkt |
| zij | hebben afgeperkt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | perkte af |
| jij | perkte af |
| hij | perkte af |
| wij | perkten af |
| jullie | perkten af |
| zij | perkten af |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgeperkt |
| jij | had afgeperkt |
| hij | had afgeperkt |
| wij | hadden afgeperkt |
| jullie | hadden afgeperkt |
| zij | hadden afgeperkt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afperken |
| jij | zult afperken |
| hij | zal afperken |
| wij | zullen afperken |
| jullie | zullen afperken |
| zij | zullen afperken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgeperkt hebben |
| jij | zult afgeperkt hebben |
| hij | zal afgeperkt hebben |
| wij | zullen afgeperkt hebben |
| jullie | zullen afgeperkt hebben |
| zij | zullen afgeperkt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afperken |
| jij | zou afperken |
| hij | zou afperken |
| wij | zouden afperken |
| jullie | zouden afperken |
| zij | zouden afperken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgeperkt hebben |
| jij | zou afgeperkt hebben |
| hij | zou afgeperkt hebben |
| wij | zouden afgeperkt hebben |
| jullie | zouden afgeperkt hebben |
| zij | zouden afgeperkt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'afperken'
aanboeken,
aaneenkoeken,
aangrinniken,
aanharken,
aanjanken,
aanjuichen,
aankalken,
aanlijken,
aanlonken,
aanmerken,
aanreiken,
aanstuiken,
aanvonken,
aanwenken,
aanwerken,
afchecken,
afdanken,
afharken,
afkalken,
afkicken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'afperken'
afdekken,
afharken,
afkeren,
afkerven,
afleren,
afmelken,
afpakken,
afpikken,
afpreken,
afpulken,
Translations
Sample Sentences
-
[...] laten weiden. Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest afgescheiden houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een stuk lands met een heining of met paalwerk, ten einde zij zoodanig afgesloten waren, dat die er binnen waren er niet uit, en die er buiten waren er niet in konden komen.
(Robinson Crusoe)
-
[...] van honderd en vijftig el lang, en honderd el breed, hetwelk voor ' s hands genoeg was ter voeding van degeen, die ik vooreerst zou hebben, en als mijne kudde vermeerderde, kon ik altijd meer grond afperken. Dit was verstandiger overlegd en ik ging met ijver aan het werk. Ik had ongeveer drie maanden werk er aan, en in dien tijd bond ik de drie geiten op de beste plek er in vast en gewende ze zoo digt [...]
(Robinson Crusoe)
-
Om dit te verhoeden zag ik, na rijpe overweging, slechts twee middelen, het eerste was, eene andere onderaardsche grot te delven, en ze daar alle avonden in te drijven; en het andere bestond in het afperken van twee of drie verschillende stukjes land, ver van elkander, en zoo verborgen als ik vinden kon, in elke waarvan ik een half dozijn jonge geiten kon houden, zoodat, als de groote kudde eenig [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
Additional Information