afdekken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afdekken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afdekken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afdekkend
Past participle - Verleden deelwoord: afgedekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdek af
jijdekt af
hijdekt af
wijdekken af
julliedekken af
zijdekken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgedekt
jijhebt afgedekt
hijheeft afgedekt
wijhebben afgedekt
julliehebben afgedekt
zijhebben afgedekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdekte af
jijdekte af
hijdekte af
wijdekten af
julliedekten af
zijdekten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgedekt
jijhad afgedekt
hijhad afgedekt
wijhadden afgedekt
julliehadden afgedekt
zijhadden afgedekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afdekken
jijzult afdekken
hijzal afdekken
wijzullen afdekken
julliezullen afdekken
zijzullen afdekken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgedekt hebben
jijzult afgedekt hebben
hijzal afgedekt hebben
wijzullen afgedekt hebben
julliezullen afgedekt hebben
zijzullen afgedekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afdekken
jijzou afdekken
hijzou afdekken
wijzouden afdekken
julliezouden afdekken
zijzouden afdekken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgedekt hebben
jijzou afgedekt hebben
hijzou afgedekt hebben
wijzouden afgedekt hebben
julliezouden afgedekt hebben
zijzouden afgedekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdek af

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

bedekken
plaveien

Sample Sentences

Etymology

From af + dekken.

Verbs referencing "afdekken"

German, old spelling abdecken.

Additional Information