afleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aflerend
Past participle - Verleden deelwoord: afgeleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikleer af
jijleert af
hijleert af
wijleren af
jullieleren af
zijleren af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgeleerd
jijhebt afgeleerd
hijheeft afgeleerd
wijhebben afgeleerd
julliehebben afgeleerd
zijhebben afgeleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikleerde af
jijleerde af
hijleerde af
wijleerden af
jullieleerden af
zijleerden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgeleerd
jijhad afgeleerd
hijhad afgeleerd
wijhadden afgeleerd
julliehadden afgeleerd
zijhadden afgeleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afleren
jijzult afleren
hijzal afleren
wijzullen afleren
julliezullen afleren
zijzullen afleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgeleerd hebben
jijzult afgeleerd hebben
hijzal afgeleerd hebben
wijzullen afgeleerd hebben
julliezullen afgeleerd hebben
zijzullen afgeleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afleren
jijzou afleren
hijzou afleren
wijzouden afleren
julliezouden afleren
zijzouden afleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgeleerd hebben
jijzou afgeleerd hebben
hijzou afgeleerd hebben
wijzouden afgeleerd hebben
julliezouden afgeleerd hebben
zijzouden afgeleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijleer af

Translations

  • unlearn, to discard the knowledge of
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afwennen
    ontwennen

    Sample Sentences

    Etymology

    From af + leren.

    Additional Information