aanboeken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanboeken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanboeken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanboekend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeboekt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikboek aan
jijboekt aan
hijboekt aan
wijboeken aan
jullieboeken aan
zijboeken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangeboekt
jijhebt aangeboekt
hijheeft aangeboekt
wijhebben aangeboekt
julliehebben aangeboekt
zijhebben aangeboekt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikboekte aan
jijboekte aan
hijboekte aan
wijboekten aan
jullieboekten aan
zijboekten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangeboekt
jijhad aangeboekt
hijhad aangeboekt
wijhadden aangeboekt
julliehadden aangeboekt
zijhadden aangeboekt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanboeken
jijzult aanboeken
hijzal aanboeken
wijzullen aanboeken
julliezullen aanboeken
zijzullen aanboeken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangeboekt hebben
jijzult aangeboekt hebben
hijzal aangeboekt hebben
wijzullen aangeboekt hebben
julliezullen aangeboekt hebben
zijzullen aangeboekt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanboeken
jijzou aanboeken
hijzou aanboeken
wijzouden aanboeken
julliezouden aanboeken
zijzouden aanboeken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangeboekt hebben
jijzou aangeboekt hebben
hijzou aangeboekt hebben
wijzouden aangeboekt hebben
julliezouden aangeboekt hebben
zijzouden aangeboekt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijboek aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information