aanvonken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanvonken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanvonken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanvonkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangevonkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvonk aan
jijvonkt aan
hijvonkt aan
wijvonken aan
jullievonken aan
zijvonken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangevonkt
jijhebt aangevonkt
hijheeft aangevonkt
wijhebben aangevonkt
julliehebben aangevonkt
zijhebben aangevonkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvonkte aan
jijvonkte aan
hijvonkte aan
wijvonkten aan
jullievonkten aan
zijvonkten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangevonkt
jijhad aangevonkt
hijhad aangevonkt
wijhadden aangevonkt
julliehadden aangevonkt
zijhadden aangevonkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanvonken
jijzult aanvonken
hijzal aanvonken
wijzullen aanvonken
julliezullen aanvonken
zijzullen aanvonken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangevonkt hebben
jijzult aangevonkt hebben
hijzal aangevonkt hebben
wijzullen aangevonkt hebben
julliezullen aangevonkt hebben
zijzullen aangevonkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanvonken
jijzou aanvonken
hijzou aanvonken
wijzouden aanvonken
julliezouden aanvonken
zijzouden aanvonken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangevonkt hebben
jijzou aangevonkt hebben
hijzou aangevonkt hebben
wijzouden aangevonkt hebben
julliezouden aangevonkt hebben
zijzouden aangevonkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvonk aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information