afpakken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afpakken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afpakken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afpakkend
Past participle - Verleden deelwoord: afgepakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpak af
jijpakt af
hijpakt af
wijpakken af
julliepakken af
zijpakken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgepakt
jijhebt afgepakt
hijheeft afgepakt
wijhebben afgepakt
julliehebben afgepakt
zijhebben afgepakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpakte af
jijpakte af
hijpakte af
wijpakten af
julliepakten af
zijpakten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgepakt
jijhad afgepakt
hijhad afgepakt
wijhadden afgepakt
julliehadden afgepakt
zijhadden afgepakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afpakken
jijzult afpakken
hijzal afpakken
wijzullen afpakken
julliezullen afpakken
zijzullen afpakken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgepakt hebben
jijzult afgepakt hebben
hijzal afgepakt hebben
wijzullen afgepakt hebben
julliezullen afgepakt hebben
zijzullen afgepakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afpakken
jijzou afpakken
hijzou afpakken
wijzouden afpakken
julliezouden afpakken
zijzouden afpakken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgepakt hebben
jijzou afgepakt hebben
hijzou afgepakt hebben
wijzouden afgepakt hebben
julliezouden afgepakt hebben
zijzouden afgepakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpak af

Translations

  • abstract, to steal
  • boost, to steal
  • filch, to steal
  • lift, to steal
  • pickpocket, to steal
  • pinch, to steal
  • secrete, to steal
  • snatch, to steal
  • steal, to steal
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afnemen
    ontnemen

    Sample Sentences

    Etymology

    From af + pakken.

    Additional Information