abhorreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of abhorreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: abhorreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: abhorrerend
Past participle - Verleden deelwoord: geabhorreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikabhorreer
jijabhorreert
hijabhorreert
wijabhorreren
jullieabhorreren
zijabhorreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geabhorreerd
jijhebt geabhorreerd
hijheeft geabhorreerd
wijhebben geabhorreerd
julliehebben geabhorreerd
zijhebben geabhorreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikabhorreerde
jijabhorreerde
hijabhorreerde
wijabhorreerden
jullieabhorreerden
zijabhorreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geabhorreerd
jijhad geabhorreerd
hijhad geabhorreerd
wijhadden geabhorreerd
julliehadden geabhorreerd
zijhadden geabhorreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal abhorreren
jijzult abhorreren
hijzal abhorreren
wijzullen abhorreren
julliezullen abhorreren
zijzullen abhorreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geabhorreerd hebben
jijzult geabhorreerd hebben
hijzal geabhorreerd hebben
wijzullen geabhorreerd hebben
julliezullen geabhorreerd hebben
zijzullen geabhorreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou abhorreren
jijzou abhorreren
hijzou abhorreren
wijzouden abhorreren
julliezouden abhorreren
zijzouden abhorreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geabhorreerd hebben
jijzou geabhorreerd hebben
hijzou geabhorreerd hebben
wijzouden geabhorreerd hebben
julliezouden geabhorreerd hebben
zijzouden geabhorreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijabhorreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information