absolveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of absolveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: absolveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: absolverend
Past participle - Verleden deelwoord: geabsolveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikabsolveer
jijabsolveert
hijabsolveert
wijabsolveren
jullieabsolveren
zijabsolveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geabsolveerd
jijhebt geabsolveerd
hijheeft geabsolveerd
wijhebben geabsolveerd
julliehebben geabsolveerd
zijhebben geabsolveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikabsolveerde
jijabsolveerde
hijabsolveerde
wijabsolveerden
jullieabsolveerden
zijabsolveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geabsolveerd
jijhad geabsolveerd
hijhad geabsolveerd
wijhadden geabsolveerd
julliehadden geabsolveerd
zijhadden geabsolveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal absolveren
jijzult absolveren
hijzal absolveren
wijzullen absolveren
julliezullen absolveren
zijzullen absolveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geabsolveerd hebben
jijzult geabsolveerd hebben
hijzal geabsolveerd hebben
wijzullen geabsolveerd hebben
julliezullen geabsolveerd hebben
zijzullen geabsolveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou absolveren
jijzou absolveren
hijzou absolveren
wijzouden absolveren
julliezouden absolveren
zijzouden absolveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geabsolveerd hebben
jijzou geabsolveerd hebben
hijzou geabsolveerd hebben
wijzouden geabsolveerd hebben
julliezouden geabsolveerd hebben
zijzouden geabsolveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijabsolveer

Translations

  • absolve, theology: to pronounce free or give absolution from sin
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information