adoreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of adoreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: adoreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: adorerend
Past participle - Verleden deelwoord: geadoreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikadoreer
jijadoreert
hijadoreert
wijadoreren
jullieadoreren
zijadoreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geadoreerd
jijhebt geadoreerd
hijheeft geadoreerd
wijhebben geadoreerd
julliehebben geadoreerd
zijhebben geadoreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikadoreerde
jijadoreerde
hijadoreerde
wijadoreerden
jullieadoreerden
zijadoreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geadoreerd
jijhad geadoreerd
hijhad geadoreerd
wijhadden geadoreerd
julliehadden geadoreerd
zijhadden geadoreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal adoreren
jijzult adoreren
hijzal adoreren
wijzullen adoreren
julliezullen adoreren
zijzullen adoreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geadoreerd hebben
jijzult geadoreerd hebben
hijzal geadoreerd hebben
wijzullen geadoreerd hebben
julliezullen geadoreerd hebben
zijzullen geadoreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou adoreren
jijzou adoreren
hijzou adoreren
wijzouden adoreren
julliezouden adoreren
zijzouden adoreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geadoreerd hebben
jijzou geadoreerd hebben
hijzou geadoreerd hebben
wijzouden geadoreerd hebben
julliezouden geadoreerd hebben
zijzouden geadoreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijadoreer

Translations

  • adore, worship
  • adore, love with entire heart and soul
  • worship, worship
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanbidden
    bewonderen, verafgoden, vereren

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French adorer, from Latin adōrō. See: Latin 'adōrō'.

    Additional Information