aanstoken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanstoken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanstoken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanstokend
Past participle - Verleden deelwoord: aangestookt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstook aan
jijstookt aan
hijstookt aan
wijstoken aan
julliestoken aan
zijstoken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangestookt
jijhebt aangestookt
hijheeft aangestookt
wijhebben aangestookt
julliehebben aangestookt
zijhebben aangestookt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstookte aan
jijstookte aan
hijstookte aan
wijstookten aan
julliestookten aan
zijstookten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangestookt
jijhad aangestookt
hijhad aangestookt
wijhadden aangestookt
julliehadden aangestookt
zijhadden aangestookt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanstoken
jijzult aanstoken
hijzal aanstoken
wijzullen aanstoken
julliezullen aanstoken
zijzullen aanstoken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangestookt hebben
jijzult aangestookt hebben
hijzal aangestookt hebben
wijzullen aangestookt hebben
julliezullen aangestookt hebben
zijzullen aangestookt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanstoken
jijzou aanstoken
hijzou aanstoken
wijzouden aanstoken
julliezouden aanstoken
zijzouden aanstoken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangestookt hebben
jijzou aangestookt hebben
hijzou aangestookt hebben
wijzouden aangestookt hebben
julliezouden aangestookt hebben
zijzouden aangestookt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstook aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

ophitsen
opruien, opstoken

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch aenstōken. Equivalent to aan + stoken.

Additional Information