opstoken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opstoken

The word "opstoken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opstoken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opstokend
Past participle - Verleden deelwoord: opgestookt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstook op
jijstookt op
hijstookt op
wijstoken op
julliestoken op
zijstoken op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgestookt
jijhebt opgestookt
hijheeft opgestookt
wijhebben opgestookt
julliehebben opgestookt
zijhebben opgestookt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstookte op
jijstookte op
hijstookte op
wijstookten op
julliestookten op
zijstookten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgestookt
jijhad opgestookt
hijhad opgestookt
wijhadden opgestookt
julliehadden opgestookt
zijhadden opgestookt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opstoken
jijzult opstoken
hijzal opstoken
wijzullen opstoken
julliezullen opstoken
zijzullen opstoken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgestookt hebben
jijzult opgestookt hebben
hijzal opgestookt hebben
wijzullen opgestookt hebben
julliezullen opgestookt hebben
zijzullen opgestookt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opstoken
jijzou opstoken
hijzou opstoken
wijzouden opstoken
julliezouden opstoken
zijzouden opstoken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgestookt hebben
jijzou opgestookt hebben
hijzou opgestookt hebben
wijzouden opgestookt hebben
julliezouden opgestookt hebben
zijzouden opgestookt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstook op

Verbs similar to 'opstoken'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information