Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: afmaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afmakend
Past participle - Verleden deelwoord: afgemaakt
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | maak af |
| jij | maakt af |
| hij | maakt af |
| wij | maken af |
| jullie | maken af |
| zij | maken af |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgemaakt |
| jij | hebt afgemaakt |
| hij | heeft afgemaakt |
| wij | hebben afgemaakt |
| jullie | hebben afgemaakt |
| zij | hebben afgemaakt |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | maakte af |
| jij | maakte af |
| hij | maakte af |
| wij | maakten af |
| jullie | maakten af |
| zij | maakten af |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgemaakt |
| jij | had afgemaakt |
| hij | had afgemaakt |
| wij | hadden afgemaakt |
| jullie | hadden afgemaakt |
| zij | hadden afgemaakt |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afmaken |
| jij | zult afmaken |
| hij | zal afmaken |
| wij | zullen afmaken |
| jullie | zullen afmaken |
| zij | zullen afmaken |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgemaakt hebben |
| jij | zult afgemaakt hebben |
| hij | zal afgemaakt hebben |
| wij | zullen afgemaakt hebben |
| jullie | zullen afgemaakt hebben |
| zij | zullen afgemaakt hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afmaken |
| jij | zou afmaken |
| hij | zou afmaken |
| wij | zouden afmaken |
| jullie | zouden afmaken |
| zij | zouden afmaken |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgemaakt hebben |
| jij | zou afgemaakt hebben |
| hij | zou afgemaakt hebben |
| wij | zouden afgemaakt hebben |
| jullie | zouden afgemaakt hebben |
| zij | zouden afgemaakt hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'afmaken'
aanbleken,
aanhaken,
aankweken,
aanmaken,
aanpreken,
aanraken,
aansmeken,
aanstoken,
afhaken,
afkraken,
afmaken,
afpreken,
bekendmaken,
bewaken,
dichtmaken,
dopen,
gapen,
geraken,
inmaken,
inschepen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'afmaken'
afhaken,
afmalen,
aanmaken,
afdalen,
afdanken,
afhakken,
afhalen,
afharken,
afjagen,
afkalken,
Sample Sentences
-
[...] ontsnapte. Zie hier den uitslag van het gevecht. 3 Gedood bij ons eerste vuur van den boom. 2 Gedood bij het volgende schot. 2 Door Vrijdag in de kanoe gedood. 2 Gekwetsten, door Vrijdag afgemaakt. 1 Door hem in het bosch gedood. 3 Door den Spanjaard gedood. 4 Dooden, hier en daar gevonden, aan hunne wonden gestorven of door Vrijdag afgemaakt. 4 Ontsnapt in de boot, waaronder een [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] de kanoe gedood. 2 Gekwetsten, door Vrijdag afgemaakt. 1 Door hem in het bosch gedood. 3 Door den Spanjaard gedood. 4 Dooden, hier en daar gevonden, aan hunne wonden gestorven of door Vrijdag afgemaakt. 4 Ontsnapt in de boot, waaronder een gewond of dood. — — 21 in het geheel.
(Robinson Crusoe)
-
[...] en sommigen er opspringen, toen ik eene pistool op het kruid losbrandde, en dat ontstak. Die op den stam waren, vielen gezengd neder, verscheidene sprongen tot midden onder ons. Deze werden dadelijk afgemaakt en de overigen waren zoo verschrikt van het vuur, dat zij een weinig terugtrokken. Hierop gelastte ik al onze pistolen gelijk af te vuren en tevens hard te schreeuwen, waarop de wolven het hazenpad [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] ik al onze pistolen gelijk af te vuren en tevens hard te schreeuwen, waarop de wolven het hazenpad kozen, en wij op een twintig gekwetsten aanvielen, die op den grond lagen, en ze in een oogenblik afmaakten, hetwelk een gelukkig gevolg had, want hun gekerm en gehuil werd door hunne makkers zeer goed begrepen, die de vlugt kozen en ons verlieten.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From af (“finished, done”) + maken (“make”).
Additional Information