afmaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afmaken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afmaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afmakend
Past participle - Verleden deelwoord: afgemaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmaak af
jijmaakt af
hijmaakt af
wijmaken af
julliemaken af
zijmaken af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgemaakt
jijhebt afgemaakt
hijheeft afgemaakt
wijhebben afgemaakt
julliehebben afgemaakt
zijhebben afgemaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmaakte af
jijmaakte af
hijmaakte af
wijmaakten af
julliemaakten af
zijmaakten af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgemaakt
jijhad afgemaakt
hijhad afgemaakt
wijhadden afgemaakt
julliehadden afgemaakt
zijhadden afgemaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afmaken
jijzult afmaken
hijzal afmaken
wijzullen afmaken
julliezullen afmaken
zijzullen afmaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgemaakt hebben
jijzult afgemaakt hebben
hijzal afgemaakt hebben
wijzullen afgemaakt hebben
julliezullen afgemaakt hebben
zijzullen afgemaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afmaken
jijzou afmaken
hijzou afmaken
wijzouden afmaken
julliezouden afmaken
zijzouden afmaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgemaakt hebben
jijzou afgemaakt hebben
hijzou afgemaakt hebben
wijzouden afgemaakt hebben
julliezouden afgemaakt hebben
zijzouden afgemaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmaak af

Translations

  • slate, criticise/criticize harshly
  • grease, to kill
  • mortify, to kill
  • off, to kill
  • terminate, to kill
  • whack, to kill
  • destroy, to put down or euthanize (e.g. an animal)
  • exterminate, to bring a definite end to, finish completely
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afschieten
    afslachten
    doden
    vermoorden
    afkraken
    prijzen, lauweren, loven, roemen

    Sample Sentences

    • [...] ontsnapte. Zie hier den uitslag van het gevecht. 3 Gedood bij ons eerste vuur van den boom. 2 Gedood bij het volgende schot. 2 Door Vrijdag in de kanoe gedood. 2 Gekwetsten, door Vrijdag afgemaakt. 1 Door hem in het bosch gedood. 3 Door den Spanjaard gedood. 4 Dooden, hier en daar gevonden, aan hunne wonden gestorven of door Vrijdag afgemaakt. 4 Ontsnapt in de boot, waaronder een [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] de kanoe gedood. 2 Gekwetsten, door Vrijdag afgemaakt. 1 Door hem in het bosch gedood. 3 Door den Spanjaard gedood. 4 Dooden, hier en daar gevonden, aan hunne wonden gestorven of door Vrijdag afgemaakt. 4 Ontsnapt in de boot, waaronder een gewond of dood. — — 21 in het geheel. (Robinson Crusoe)
    • [...] en sommigen er opspringen, toen ik eene pistool op het kruid losbrandde, en dat ontstak. Die op den stam waren, vielen gezengd neder, verscheidene sprongen tot midden onder ons. Deze werden dadelijk afgemaakt en de overigen waren zoo verschrikt van het vuur, dat zij een weinig terugtrokken. Hierop gelastte ik al onze pistolen gelijk af te vuren en tevens hard te schreeuwen, waarop de wolven het hazenpad [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] ik al onze pistolen gelijk af te vuren en tevens hard te schreeuwen, waarop de wolven het hazenpad kozen, en wij op een twintig gekwetsten aanvielen, die op den grond lagen, en ze in een oogenblik afmaakten, hetwelk een gelukkig gevolg had, want hun gekerm en gehuil werd door hunne makkers zeer goed begrepen, die de vlugt kozen en ons verlieten. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From af (“finished, done”) + maken (“make”).

    Additional Information