gapen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gapen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gapen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gapend
Past participle - Verleden deelwoord: gegaapt

Cognates

See the 6 cognates of gapen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgaap
jijgaapt
hijgaapt
wijgapen
julliegapen
zijgapen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegaapt
jijhebt gegaapt
hijheeft gegaapt
wijhebben gegaapt
julliehebben gegaapt
zijhebben gegaapt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgaapte
jijgaapte
hijgaapte
wijgaapten
julliegaapten
zijgaapten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegaapt
jijhad gegaapt
hijhad gegaapt
wijhadden gegaapt
julliehadden gegaapt
zijhadden gegaapt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gapen
jijzult gapen
hijzal gapen
wijzullen gapen
julliezullen gapen
zijzullen gapen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegaapt hebben
jijzult gegaapt hebben
hijzal gegaapt hebben
wijzullen gegaapt hebben
julliezullen gegaapt hebben
zijzullen gegaapt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gapen
jijzou gapen
hijzou gapen
wijzouden gapen
julliezouden gapen
zijzouden gapen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegaapt hebben
jijzou gegaapt hebben
hijzou gegaapt hebben
wijzouden gegaapt hebben
julliezouden gegaapt hebben
zijzouden gegaapt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgaap

Verbs similar to 'gapen'

rapen, aaien, baden, banen, baten, dalen, dampen, dopen, falen, gaan,

Translations

  • gape, to open the mouth wide
  • yawn, open the mouth and take a deep breath
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    kijken
    staren

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch gapen, from Old Dutch *gapon, from Proto-West Germanic *gapōn, from Proto-Germanic *gapōną, from Proto-Indo-European *ǵʰeh₁y- (“to gape, be wide open”), related to Ancient Greek χάσκω (kháskō), Russian зия́ть (zijátʹ), Sanskrit विजिहीते (vijihīte), and Proto-Germanic *gīnaną, *ganōną (English yawn). See: Old Dutch '*gapon', Proto-Germanic '*gapōną', Russian 'зия́ть', Proto-Germanic '*gīnaną', English 'yawn'.

    Verbs referencing "gapen"

    English gape, German, old spelling gaffen, Luxembourgish gaapsen, German, old spelling jappen.

    Additional Information