falen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of falen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: falen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: falend
Past participle - Verleden deelwoord: gefaald

Cognates

See the 6 cognates of falen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfaal
jijfaalt
hijfaalt
wijfalen
julliefalen
zijfalen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefaald
jijhebt gefaald
hijheeft gefaald
wijhebben gefaald
julliehebben gefaald
zijhebben gefaald

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfaalde
jijfaalde
hijfaalde
wijfaalden
julliefaalden
zijfaalden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefaald
jijhad gefaald
hijhad gefaald
wijhadden gefaald
julliehadden gefaald
zijhadden gefaald

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal falen
jijzult falen
hijzal falen
wijzullen falen
julliezullen falen
zijzullen falen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefaald hebben
jijzult gefaald hebben
hijzal gefaald hebben
wijzullen gefaald hebben
julliezullen gefaald hebben
zijzullen gefaald hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou falen
jijzou falen
hijzou falen
wijzouden falen
julliezouden falen
zijzouden falen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefaald hebben
jijzou gefaald hebben
hijzou gefaald hebben
wijzouden gefaald hebben
julliezouden gefaald hebben
zijzouden gefaald hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfaal

Translations

  • fail, be unsuccessful
  • fail, not achieve a stated goal
  • slip, to lose one's traction
  • flub, to err
  • slip, to err
  • stray, to err
  • backfire, fail
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    feilen
    mislukken, tekortschieten

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch falen, from Old French faillir.

    Verbs referencing "falen"

    English fail, Luxembourgish feelen.

    Additional Information