convergeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of convergeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: convergeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: convergerend
Past participle - Verleden deelwoord: geconvergeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconvergeer
jijconvergeert
hijconvergeert
wijconvergeren
jullieconvergeren
zijconvergeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconvergeerd
jijhebt geconvergeerd
hijheeft geconvergeerd
wijhebben geconvergeerd
julliehebben geconvergeerd
zijhebben geconvergeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconvergeerde
jijconvergeerde
hijconvergeerde
wijconvergeerden
jullieconvergeerden
zijconvergeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconvergeerd
jijhad geconvergeerd
hijhad geconvergeerd
wijhadden geconvergeerd
julliehadden geconvergeerd
zijhadden geconvergeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal convergeren
jijzult convergeren
hijzal convergeren
wijzullen convergeren
julliezullen convergeren
zijzullen convergeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconvergeerd hebben
jijzult geconvergeerd hebben
hijzal geconvergeerd hebben
wijzullen geconvergeerd hebben
julliezullen geconvergeerd hebben
zijzullen geconvergeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou convergeren
jijzou convergeren
hijzou convergeren
wijzouden convergeren
julliezouden convergeren
zijzouden convergeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconvergeerd hebben
jijzou geconvergeerd hebben
hijzou geconvergeerd hebben
wijzouden geconvergeerd hebben
julliezouden geconvergeerd hebben
zijzouden geconvergeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconvergeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French converger, from New Latin convergō See: French 'converger'.

Additional Information