converteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of converteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: converteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: converterend
Past participle - Verleden deelwoord: geconverteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconverteer
jijconverteert
hijconverteert
wijconverteren
jullieconverteren
zijconverteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconverteerd
jijhebt geconverteerd
hijheeft geconverteerd
wijhebben geconverteerd
julliehebben geconverteerd
zijhebben geconverteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconverteerde
jijconverteerde
hijconverteerde
wijconverteerden
jullieconverteerden
zijconverteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconverteerd
jijhad geconverteerd
hijhad geconverteerd
wijhadden geconverteerd
julliehadden geconverteerd
zijhadden geconverteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal converteren
jijzult converteren
hijzal converteren
wijzullen converteren
julliezullen converteren
zijzullen converteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconverteerd hebben
jijzult geconverteerd hebben
hijzal geconverteerd hebben
wijzullen geconverteerd hebben
julliezullen geconverteerd hebben
zijzullen geconverteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou converteren
jijzou converteren
hijzou converteren
wijzouden converteren
julliezouden converteren
zijzouden converteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconverteerd hebben
jijzou geconverteerd hebben
hijzou geconverteerd hebben
wijzouden geconverteerd hebben
julliezouden geconverteerd hebben
zijzouden geconverteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconverteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Middle French convertir, from Old French [Term?], from Latin convertō. See: Latin 'convertō'.

Additional Information