concerteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of concerteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: concerteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: concerterend
Past participle - Verleden deelwoord: geconcerteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconcerteer
jijconcerteert
hijconcerteert
wijconcerteren
jullieconcerteren
zijconcerteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconcerteerd
jijhebt geconcerteerd
hijheeft geconcerteerd
wijhebben geconcerteerd
julliehebben geconcerteerd
zijhebben geconcerteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconcerteerde
jijconcerteerde
hijconcerteerde
wijconcerteerden
jullieconcerteerden
zijconcerteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconcerteerd
jijhad geconcerteerd
hijhad geconcerteerd
wijhadden geconcerteerd
julliehadden geconcerteerd
zijhadden geconcerteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal concerteren
jijzult concerteren
hijzal concerteren
wijzullen concerteren
julliezullen concerteren
zijzullen concerteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconcerteerd hebben
jijzult geconcerteerd hebben
hijzal geconcerteerd hebben
wijzullen geconcerteerd hebben
julliezullen geconcerteerd hebben
zijzullen geconcerteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou concerteren
jijzou concerteren
hijzou concerteren
wijzouden concerteren
julliezouden concerteren
zijzouden concerteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconcerteerd hebben
jijzou geconcerteerd hebben
hijzou geconcerteerd hebben
wijzouden geconcerteerd hebben
julliezouden geconcerteerd hebben
zijzouden geconcerteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconcerteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

spelen
musiceren

Sample Sentences

Etymology

Additional Information