afrijden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afrijden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afrijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afrijdend
Past participle - Verleden deelwoord: afgereden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrijd af
jijrijdt af
hijrijdt af
wijrijden af
jullierijden af
zijrijden af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgereden
jijhebt afgereden
hijheeft afgereden
wijhebben afgereden
julliehebben afgereden
zijhebben afgereden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreed af
jijreed af
hijreed af
wijreden af
julliereden af
zijreden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgereden
jijhad afgereden
hijhad afgereden
wijhadden afgereden
julliehadden afgereden
zijhadden afgereden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afrijden
jijzult afrijden
hijzal afrijden
wijzullen afrijden
julliezullen afrijden
zijzullen afrijden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgereden hebben
jijzult afgereden hebben
hijzal afgereden hebben
wijzullen afgereden hebben
julliezullen afgereden hebben
zijzullen afgereden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afrijden
jijzou afrijden
hijzou afrijden
wijzouden afrijden
julliezouden afrijden
zijzouden afrijden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgereden hebben
jijzou afgereden hebben
hijzou afgereden hebben
wijzouden afgereden hebben
julliezouden afgereden hebben
zijzouden afgereden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrijd af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Hij reed zomaar de weg af! (He just drove off of the road!)
  • Hij heeft het circuit afgereden in 50 seconden. (He finished the course in 50 seconds.)

Etymology

From af + rijden.

Additional Information