Infinitive - Onbepaalde wijs: afrijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afrijdend
Past participle - Verleden deelwoord: afgereden
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | rijd af |
| jij | rijdt af |
| hij | rijdt af |
| wij | rijden af |
| jullie | rijden af |
| zij | rijden af |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgereden |
| jij | hebt afgereden |
| hij | heeft afgereden |
| wij | hebben afgereden |
| jullie | hebben afgereden |
| zij | hebben afgereden |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | reed af |
| jij | reed af |
| hij | reed af |
| wij | reden af |
| jullie | reden af |
| zij | reden af |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgereden |
| jij | had afgereden |
| hij | had afgereden |
| wij | hadden afgereden |
| jullie | hadden afgereden |
| zij | hadden afgereden |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afrijden |
| jij | zult afrijden |
| hij | zal afrijden |
| wij | zullen afrijden |
| jullie | zullen afrijden |
| zij | zullen afrijden |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgereden hebben |
| jij | zult afgereden hebben |
| hij | zal afgereden hebben |
| wij | zullen afgereden hebben |
| jullie | zullen afgereden hebben |
| zij | zullen afgereden hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afrijden |
| jij | zou afrijden |
| hij | zou afrijden |
| wij | zouden afrijden |
| jullie | zouden afrijden |
| zij | zouden afrijden |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgereden hebben |
| jij | zou afgereden hebben |
| hij | zou afgereden hebben |
| wij | zouden afgereden hebben |
| jullie | zouden afgereden hebben |
| zij | zouden afgereden hebben |
| jij | rijd af |