aanschrijden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanschrijden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanschrijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanschrijdend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeschreden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschrijd aan
jijschrijdt aan
hijschrijdt aan
wijschrijden aan
jullieschrijden aan
zijschrijden aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangeschreden
jijhebt aangeschreden
hijheeft aangeschreden
wijhebben aangeschreden
julliehebben aangeschreden
zijhebben aangeschreden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschreed aan
jijschreed aan
hijschreed aan
wijschreden aan
jullieschreden aan
zijschreden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangeschreden
jijhad aangeschreden
hijhad aangeschreden
wijhadden aangeschreden
julliehadden aangeschreden
zijhadden aangeschreden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanschrijden
jijzult aanschrijden
hijzal aanschrijden
wijzullen aanschrijden
julliezullen aanschrijden
zijzullen aanschrijden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangeschreden hebben
jijzult aangeschreden hebben
hijzal aangeschreden hebben
wijzullen aangeschreden hebben
julliezullen aangeschreden hebben
zijzullen aangeschreden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanschrijden
jijzou aanschrijden
hijzou aanschrijden
wijzouden aanschrijden
julliezouden aanschrijden
zijzouden aanschrijden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangeschreden hebben
jijzou aangeschreden hebben
hijzou aangeschreden hebben
wijzouden aangeschreden hebben
julliezouden aangeschreden hebben
zijzouden aangeschreden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschrijd aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information