aanstrijken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanstrijken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanstrijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanstrijkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangestreken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstrijk aan
jijstrijkt aan
hijstrijkt aan
wijstrijken aan
julliestrijken aan
zijstrijken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangestreken; ben aangestreken
jijhebt aangestreken; bent aangestreken
hijheeft aangestreken; is aangestreken
wijhebben aangestreken; zijn aangestreken
julliehebben aangestreken; zijn aangestreken
zijhebben aangestreken; zijn aangestreken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstreek aan
jijstreek aan
hijstreek aan
wijstreken aan
julliestreken aan
zijstreken aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangestreken; was aangestreken
jijhad aangestreken; was aangestreken
hijhad aangestreken; was aangestreken
wijhadden aangestreken; waren aangestreken
julliehadden aangestreken; waren aangestreken
zijhadden aangestreken; waren aangestreken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanstrijken
jijzult aanstrijken
hijzal aanstrijken
wijzullen aanstrijken
julliezullen aanstrijken
zijzullen aanstrijken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangestreken hebben; zijn
jijzult aangestreken hebben; zijn
hijzal aangestreken hebben; zijn
wijzullen aangestreken hebben; zijn
julliezullen aangestreken hebben; zijn
zijzullen aangestreken hebben; zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanstrijken
jijzou aanstrijken
hijzou aanstrijken
wijzouden aanstrijken
julliezouden aanstrijken
zijzouden aanstrijken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangestreken hebben; zijn
jijzou aangestreken hebben; zijn
hijzou aangestreken hebben; zijn
wijzouden aangestreken hebben; zijn
julliezouden aangestreken hebben; zijn
zijzouden aangestreken hebben; zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijstrijk aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information