voordragen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voordragen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voordragen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voordragend
Past participle - Verleden deelwoord: voorgedragen

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdraag voor
jijdraagt voor
hijdraagt voor
wijdragen voor
julliedragen voor
zijdragen voor

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voorgedragen
jijhebt voorgedragen
hijheeft voorgedragen
wijhebben voorgedragen
julliehebben voorgedragen
zijhebben voorgedragen

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdroeg voor
jijdroeg voor
hijdroeg voor
wijdroegen voor
julliedroegen voor
zijdroegen voor

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voorgedragen
jijhad voorgedragen
hijhad voorgedragen
wijhadden voorgedragen
julliehadden voorgedragen
zijhadden voorgedragen

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voordragen
jijzult voordragen
hijzal voordragen
wijzullen voordragen
julliezullen voordragen
zijzullen voordragen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voorgedragen hebben
jijzult voorgedragen hebben
hijzal voorgedragen hebben
wijzullen voorgedragen hebben
julliezullen voorgedragen hebben
zijzullen voorgedragen hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voordragen
jijzou voordragen
hijzou voordragen
wijzouden voordragen
julliezouden voordragen
zijzouden voordragen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voorgedragen hebben
jijzou voorgedragen hebben
hijzou voorgedragen hebben
wijzouden voorgedragen hebben
julliezouden voorgedragen hebben
zijzouden voorgedragen hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdraag voor

Translations

  • recommend, to suggest or endorse someone as appropriate choice
  • submit, enter or put forward something for approval, consideration, marking etc.
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    lezen
    voorlezen
    opzeggen
    declameren, reciteren
    reciteren
    opzeggen

    Sample Sentences

    Etymology

    From voor (“before, in front”) + dragen (“to carry”).

    Verbs referencing "voordragen"

    German, old spelling vortragen.

    Additional Information