reciteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of reciteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: reciteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: reciterend
Past participle - Verleden deelwoord: gereciteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreciteer
jijreciteert
hijreciteert
wijreciteren
julliereciteren
zijreciteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gereciteerd
jijhebt gereciteerd
hijheeft gereciteerd
wijhebben gereciteerd
julliehebben gereciteerd
zijhebben gereciteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreciteerde
jijreciteerde
hijreciteerde
wijreciteerden
julliereciteerden
zijreciteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gereciteerd
jijhad gereciteerd
hijhad gereciteerd
wijhadden gereciteerd
julliehadden gereciteerd
zijhadden gereciteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal reciteren
jijzult reciteren
hijzal reciteren
wijzullen reciteren
julliezullen reciteren
zijzullen reciteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gereciteerd hebben
jijzult gereciteerd hebben
hijzal gereciteerd hebben
wijzullen gereciteerd hebben
julliezullen gereciteerd hebben
zijzullen gereciteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou reciteren
jijzou reciteren
hijzou reciteren
wijzouden reciteren
julliezouden reciteren
zijzouden reciteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gereciteerd hebben
jijzou gereciteerd hebben
hijzou gereciteerd hebben
wijzouden gereciteerd hebben
julliezouden gereciteerd hebben
zijzouden gereciteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreciteer

Translations

  • recite, to repeat aloud some passage, poem or other text
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opzeggen
    voordragen

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information