stammen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stammen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stammen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stammend
Past participle - Verleden deelwoord: gestamd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstam
jijstamt
hijstamt
wijstammen
julliestammen
zijstammen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestamd
jijhebt gestamd
hijheeft gestamd
wijhebben gestamd
julliehebben gestamd
zijhebben gestamd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstamde
jijstamde
hijstamde
wijstamden
julliestamden
zijstamden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestamd
jijhad gestamd
hijhad gestamd
wijhadden gestamd
julliehadden gestamd
zijhadden gestamd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stammen
jijzult stammen
hijzal stammen
wijzullen stammen
julliezullen stammen
zijzullen stammen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestamd hebben
jijzult gestamd hebben
hijzal gestamd hebben
wijzullen gestamd hebben
julliezullen gestamd hebben
zijzullen gestamd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stammen
jijzou stammen
hijzou stammen
wijzouden stammen
julliezouden stammen
zijzouden stammen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestamd hebben
jijzou gestamd hebben
hijzou gestamd hebben
wijzouden gestamd hebben
julliezouden gestamd hebben
zijzouden gestamd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstam

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From stam + -en, with influence from German stammen. See: German, old spelling 'stammen'.

Additional Information