Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: overlijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overlijdend
Past participle - Verleden deelwoord: overleden
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | overlijd |
| jij | overlijdt |
| hij | overlijdt |
| wij | overlijden |
| jullie | overlijden |
| zij | overlijden |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | ben overleden |
| jij | bent overleden |
| hij | is overleden |
| wij | zijn overleden |
| jullie | zijn overleden |
| zij | zijn overleden |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | overleed |
| jij | overleed |
| hij | overleed |
| wij | overleden |
| jullie | overleden |
| zij | overleden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | was overleden |
| jij | was overleden |
| hij | was overleden |
| wij | waren overleden |
| jullie | waren overleden |
| zij | waren overleden |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal overlijden |
| jij | zult overlijden |
| hij | zal overlijden |
| wij | zullen overlijden |
| jullie | zullen overlijden |
| zij | zullen overlijden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal overleden zijn |
| jij | zult overleden zijn |
| hij | zal overleden zijn |
| wij | zullen overleden zijn |
| jullie | zullen overleden zijn |
| zij | zullen overleden zijn |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou overlijden |
| jij | zou overlijden |
| hij | zou overlijden |
| wij | zouden overlijden |
| jullie | zouden overlijden |
| zij | zouden overlijden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou overleden zijn |
| jij | zou overleden zijn |
| hij | zou overleden zijn |
| wij | zouden overleden zijn |
| jullie | zouden overleden zijn |
| zij | zouden overleden zijn |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'overlijden'
aaneenrijgen,
aanglijden,
aankijken,
aanrijden,
aanrijgen,
aanschrijden,
aansnijden,
aanstijgen,
aanstrijken,
achternarijden,
achteromkijken,
achteruitrijden,
afkijken,
afkrijgen,
afrijden,
afrijgen,
afsnijden,
afstijgen,
afwijken,
begrijpen, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'overlijden'
verlijden,
overblijven,
vermijden,
verwijden,
belijden,
meerijden,
omrijden,
overdrijven,
overleggen,
overleven,
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
Ik was dus thans koopman op de kust van Guinea, en daar mijn vriend ongelukkig, kort na zijne aankomst, overleden was, besloot ik op zijn schip, waar de stuurman thans kapitein op geworden was, eene tweede reis te doen. Nimmer deed iemand ongelukkiger reis. Ik nam slechts voor 100 [ £ ] Sterl. mede en liet de [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] te handelen, gelijk ik hun zou opgeven. Dit namen zij aan, en verbonden zich hier schriftelijk toe. Ik maakte een testament, en beschikte over mijne plantaadje en goederen, ingeval ik mogt komen te overlijden. Ik stelde tot mijn eenigsten erfgenaam den kapitein aan, die mij het leven gered had, onder verpligting van de helft mijner roerende goederen voor zich te houden, doch de andere helft naar Engeland [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] was, doch ik verzekerde haar, dat ik haar niet zou vergeten als ik in staat zou zijn haar krachtiger te helpen, gelijk ik ook later deed. Ik ging daarop naar Yorkshire, maar mijne ouders vond ik overleden, en mijne geheele familie uitgestorven, op twee zusters na, en twee kinderen van een mijner broeders, en daar men mij lang voor dood gehouden had, had men mij niets nagelaten; kortom ik begreep, dat [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] in Brazilië was geweest, maar hij kon mij verzekeren, dat de laatste maal dat hij daar was, mijn compagnon nog leefde, maar de beide gevolmagtigden, die met hem toezigt zouden houden, waren beide overleden. Hij geloofde echter, dat ik goed zou staan bij de verbetering mijner plantaadje, want dat, daar men algemeen geloofde dat ik verongelukt was, mijne gemagtigden hunne rekening van mijn deel in de [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch overliden, from Old Dutch overlīthan. Equivalent to over- + lijden (“to go, pass, spend time, come to an end, suffer, undergo”). Cognate with Old English oferlīþan (“to cross over, traverse”).
Additional Information