overleven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of overleven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: overleven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: overlevend
Past participle - Verleden deelwoord: overleefd

Cognates

See the 3 cognates of overleven

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikoverleef
jijoverleeft
hijoverleeft
wijoverleven
jullieoverleven
zijoverleven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb overleefd
jijhebt overleefd
hijheeft overleefd
wijhebben overleefd
julliehebben overleefd
zijhebben overleefd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikoverleefde
jijoverleefde
hijoverleefde
wijoverleefden
jullieoverleefden
zijoverleefden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad overleefd
jijhad overleefd
hijhad overleefd
wijhadden overleefd
julliehadden overleefd
zijhadden overleefd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal overleven
jijzult overleven
hijzal overleven
wijzullen overleven
julliezullen overleven
zijzullen overleven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal overleefd hebben
jijzult overleefd hebben
hijzal overleefd hebben
wijzullen overleefd hebben
julliezullen overleefd hebben
zijzullen overleefd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou overleven
jijzou overleven
hijzou overleven
wijzouden overleven
julliezouden overleven
zijzouden overleven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou overleefd hebben
jijzou overleefd hebben
hijzou overleefd hebben
wijzouden overleefd hebben
julliezouden overleefd hebben
zijzouden overleefd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijoverleef

Verbs conjugated like 'overleven'

aandraven, aaneenkleven, aanschaven, afroven, afschaven, afsloven, beleven, beloven, beroven, beschaven, beven, dichtreven, doven, draven, geloven, kleven, kloven, laven, leven, loven, etc. (List truncated at 20 verbs)

Translations

  • live, survive, persevere, continue
  • outlast, to live longer than
  • outlive, to live longer than
  • survive, person: continue to live
  • survive, object, concept: continue to exist
  • survive, live longer than
  • survive, live past a life-threatening event
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    handhaven
    herroepen, intrekken, terugnemen
    overblijven
    achterblijven
    trotseren
    doorstaan

    Sample Sentences

    • Twintig mensen overleefden het ongeluk. (Twenty people survived the accident.)
    • Het wordt moeilijk, maar we zullen overleven. (It will be difficult, but we will survive.)

    Etymology

    From over- + leven.

    Verbs referencing "overleven"

    English overlive.

    Additional Information