lonen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lonen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lonen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lonend
Past participle - Verleden deelwoord: geloond

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikloon
jijloont
hijloont
wijlonen
jullielonen
zijlonen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geloond
jijhebt geloond
hijheeft geloond
wijhebben geloond
julliehebben geloond
zijhebben geloond

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikloonde
jijloonde
hijloonde
wijloonden
jullieloonden
zijloonden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geloond
jijhad geloond
hijhad geloond
wijhadden geloond
julliehadden geloond
zijhadden geloond

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lonen
jijzult lonen
hijzal lonen
wijzullen lonen
julliezullen lonen
zijzullen lonen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geloond hebben
jijzult geloond hebben
hijzal geloond hebben
wijzullen geloond hebben
julliezullen geloond hebben
zijzullen geloond hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lonen
jijzou lonen
hijzou lonen
wijzouden lonen
julliezouden lonen
zijzouden lonen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geloond hebben
jijzou geloond hebben
hijzou geloond hebben
wijzouden geloond hebben
julliezouden geloond hebben
zijzouden geloond hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijloon

Translations

  • pay, to be profitable
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    belonen
    vergelden

    Antonyms

    belonen
    straffen, berispen, bestraffen, schorsen, beboeten, veroordelen

    Sample Sentences

    • Misdaad loont niet. (Crime doesn't pay.)

    Etymology

    From Middle Dutch lônen, from Old Dutch *lōnon, from Proto-West Germanic *launōn. Equivalent to loon + -en. See: Old Dutch '*lōnon'.

    Additional Information