kampen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kampen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kampen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kampend
Past participle - Verleden deelwoord: gekampt

Cognates

See the 4 cognates of kampen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkamp
jijkampt
hijkampt
wijkampen
julliekampen
zijkampen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekampt
jijhebt gekampt
hijheeft gekampt
wijhebben gekampt
julliehebben gekampt
zijhebben gekampt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkampte
jijkampte
hijkampte
wijkampten
julliekampten
zijkampten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekampt
jijhad gekampt
hijhad gekampt
wijhadden gekampt
julliehadden gekampt
zijhadden gekampt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kampen
jijzult kampen
hijzal kampen
wijzullen kampen
julliezullen kampen
zijzullen kampen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekampt hebben
jijzult gekampt hebben
hijzal gekampt hebben
wijzullen gekampt hebben
julliezullen gekampt hebben
zijzullen gekampt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kampen
jijzou kampen
hijzou kampen
wijzouden kampen
julliezouden kampen
zijzouden kampen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekampt hebben
jijzou gekampt hebben
hijzou gekampt hebben
wijzouden gekampt hebben
julliezouden gekampt hebben
zijzouden gekampt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkamp

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

strijden
vechten, wedijveren

Sample Sentences

  • Hij heeft met veel problemen te kampen. -- He has to deal with many problems.

Etymology

From Middle Dutch campen, variant of kempen, ultimately from Latin campus (“battlefield”).

Verbs referencing "kampen"

English camp.

Additional Information