glijden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of glijden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: glijden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: glijdend
Past participle - Verleden deelwoord: gegleden

Cognates

See the 5 cognates of glijden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikglijd; glij
jijglijdt
hijglijdt
wijglijden
jullieglijden
zijglijden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegleden
jijhebt gegleden
hijheeft gegleden
wijhebben gegleden
julliehebben gegleden
zijhebben gegleden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgleed
jijgleed
hijgleed
wijgleden
julliegleden
zijgleden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegleden
jijhad gegleden
hijhad gegleden
wijhadden gegleden
julliehadden gegleden
zijhadden gegleden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal glijden
jijzult glijden
hijzal glijden
wijzullen glijden
julliezullen glijden
zijzullen glijden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegleden hebben
jijzult gegleden hebben
hijzal gegleden hebben
wijzullen gegleden hebben
julliezullen gegleden hebben
zijzullen gegleden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou glijden
jijzou glijden
hijzou glijden
wijzouden glijden
julliezouden glijden
zijzouden glijden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegleden hebben
jijzou gegleden hebben
hijzou gegleden hebben
wijzouden gegleden hebben
julliezouden gegleden hebben
zijzouden gegleden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijglijd; glij

Translations

  • glide, To move softly, smoothly, or effortlessly
  • plane, to glide
  • slide, to move in continuous contact with a surface
  • slide, to pass along smoothly
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    roetsjen
    zweven, zwieren
    glippen
    slippen, uitglijden

    Sample Sentences

    • De verbijstering gleed van haar gezicht. (The bewilderment disappeared from her face.)

    Etymology

    From Middle Dutch gliden, from Old Dutch *glīdan, from Proto-West Germanic *glīdan, from Proto-Germanic *glīdaną, from Proto-Indo-European *ǵʰleydʰ-. See: Middle Dutch 'gliden', Proto-Germanic '*glīdaną'.

    Verbs referencing "glijden"

    English glide, German, old spelling gleiten, Low Saxon glieden.

    Additional Information