ejaculeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ejaculeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ejaculeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ejaculerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëjaculeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikejaculeer
jijejaculeert
hijejaculeert
wijejaculeren
jullieejaculeren
zijejaculeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëjaculeerd
jijhebt geëjaculeerd
hijheeft geëjaculeerd
wijhebben geëjaculeerd
julliehebben geëjaculeerd
zijhebben geëjaculeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikejaculeerde
jijejaculeerde
hijejaculeerde
wijejaculeerden
jullieejaculeerden
zijejaculeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëjaculeerd
jijhad geëjaculeerd
hijhad geëjaculeerd
wijhadden geëjaculeerd
julliehadden geëjaculeerd
zijhadden geëjaculeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ejaculeren
jijzult ejaculeren
hijzal ejaculeren
wijzullen ejaculeren
julliezullen ejaculeren
zijzullen ejaculeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëjaculeerd hebben
jijzult geëjaculeerd hebben
hijzal geëjaculeerd hebben
wijzullen geëjaculeerd hebben
julliezullen geëjaculeerd hebben
zijzullen geëjaculeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ejaculeren
jijzou ejaculeren
hijzou ejaculeren
wijzouden ejaculeren
julliezouden ejaculeren
zijzouden ejaculeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëjaculeerd hebben
jijzou geëjaculeerd hebben
hijzou geëjaculeerd hebben
wijzouden geëjaculeerd hebben
julliezouden geëjaculeerd hebben
zijzouden geëjaculeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijejaculeer

Translations

  • ejaculate, to eject semen or vaginal fluid
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Latin ēiaculor. See: Latin 'ēiaculor'.

    Additional Information