evacueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of evacueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: evacueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: evacuerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëvacueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikevacueer
jijevacueert
hijevacueert
wijevacueren
jullieevacueren
zijevacueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëvacueerd
jijhebt geëvacueerd
hijheeft geëvacueerd
wijhebben geëvacueerd
julliehebben geëvacueerd
zijhebben geëvacueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikevacueerde
jijevacueerde
hijevacueerde
wijevacueerden
jullieevacueerden
zijevacueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëvacueerd
jijhad geëvacueerd
hijhad geëvacueerd
wijhadden geëvacueerd
julliehadden geëvacueerd
zijhadden geëvacueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal evacueren
jijzult evacueren
hijzal evacueren
wijzullen evacueren
julliezullen evacueren
zijzullen evacueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëvacueerd hebben
jijzult geëvacueerd hebben
hijzal geëvacueerd hebben
wijzullen geëvacueerd hebben
julliezullen geëvacueerd hebben
zijzullen geëvacueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou evacueren
jijzou evacueren
hijzou evacueren
wijzouden evacueren
julliezouden evacueren
zijzouden evacueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëvacueerd hebben
jijzou geëvacueerd hebben
hijzou geëvacueerd hebben
wijzouden geëvacueerd hebben
julliezouden geëvacueerd hebben
zijzouden geëvacueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijevacueer

Translations

  • evacuate, to move out of an unsafe location into safety
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    onderbrengen
    wegsturen, wegzenden

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from Middle French évacuer, from Latin ēvacuō. See: Latin 'ēvacuō'.

    Additional Information