congrueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of congrueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: congrueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: congruerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecongrueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcongrueer
jijcongrueert
hijcongrueert
wijcongrueren
julliecongrueren
zijcongrueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecongrueerd
jijhebt gecongrueerd
hijheeft gecongrueerd
wijhebben gecongrueerd
julliehebben gecongrueerd
zijhebben gecongrueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcongrueerde
jijcongrueerde
hijcongrueerde
wijcongrueerden
julliecongrueerden
zijcongrueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecongrueerd
jijhad gecongrueerd
hijhad gecongrueerd
wijhadden gecongrueerd
julliehadden gecongrueerd
zijhadden gecongrueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal congrueren
jijzult congrueren
hijzal congrueren
wijzullen congrueren
julliezullen congrueren
zijzullen congrueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecongrueerd hebben
jijzult gecongrueerd hebben
hijzal gecongrueerd hebben
wijzullen gecongrueerd hebben
julliezullen gecongrueerd hebben
zijzullen gecongrueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou congrueren
jijzou congrueren
hijzou congrueren
wijzouden congrueren
julliezouden congrueren
zijzouden congrueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecongrueerd hebben
jijzou gecongrueerd hebben
hijzou gecongrueerd hebben
wijzouden gecongrueerd hebben
julliezouden gecongrueerd hebben
zijzouden gecongrueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcongrueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from Latin congruō. See: Latin 'congruō'.

Additional Information