blameren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of blameren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: blameren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: blamerend
Past participle - Verleden deelwoord: geblameerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikblameer
jijblameert
hijblameert
wijblameren
jullieblameren
zijblameren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geblameerd
jijhebt geblameerd
hijheeft geblameerd
wijhebben geblameerd
julliehebben geblameerd
zijhebben geblameerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikblameerde
jijblameerde
hijblameerde
wijblameerden
jullieblameerden
zijblameerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geblameerd
jijhad geblameerd
hijhad geblameerd
wijhadden geblameerd
julliehadden geblameerd
zijhadden geblameerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal blameren
jijzult blameren
hijzal blameren
wijzullen blameren
julliezullen blameren
zijzullen blameren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geblameerd hebben
jijzult geblameerd hebben
hijzal geblameerd hebben
wijzullen geblameerd hebben
julliezullen geblameerd hebben
zijzullen geblameerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou blameren
jijzou blameren
hijzou blameren
wijzouden blameren
julliezouden blameren
zijzouden blameren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geblameerd hebben
jijzou geblameerd hebben
hijzou geblameerd hebben
wijzouden geblameerd hebben
julliezouden geblameerd hebben
zijzouden geblameerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijblameer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch blameren, from Old French blasmer. See: Old French 'blasmer'.

Additional Information