bladderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bladderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bladderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bladderend
Past participle - Verleden deelwoord: gebladderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbladder
jijbladdert
hijbladdert
wijbladderen
julliebladderen
zijbladderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebladderd
jijhebt gebladderd
hijheeft gebladderd
wijhebben gebladderd
julliehebben gebladderd
zijhebben gebladderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbladderde
jijbladderde
hijbladderde
wijbladderden
julliebladderden
zijbladderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebladderd
jijhad gebladderd
hijhad gebladderd
wijhadden gebladderd
julliehadden gebladderd
zijhadden gebladderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bladderen
jijzult bladderen
hijzal bladderen
wijzullen bladderen
julliezullen bladderen
zijzullen bladderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebladderd hebben
jijzult gebladderd hebben
hijzal gebladderd hebben
wijzullen gebladderd hebben
julliezullen gebladderd hebben
zijzullen gebladderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bladderen
jijzou bladderen
hijzou bladderen
wijzouden bladderen
julliezouden bladderen
zijzouden bladderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebladderd hebben
jijzou gebladderd hebben
hijzou gebladderd hebben
wijzouden gebladderd hebben
julliezouden gebladderd hebben
zijzouden gebladderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbladder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information